Over de grens van Syrië

(Geschreven in Augustus, 2014)

Vorig jaar, deze dag, stak ik de grens over naar Syrië, als spookloper tegen de stroom vluchtelingen in. Vrouwen in rolstoelen, gezinnen met uitpuilende plastic zakken met enkele geredde eigendommen, ouders die heen en weer holden om hun kinderen en bejaarde ouders een voor een te dragen en te steunen, de grens over naar ‘veilig’ Turkije. De paar honderd meter niemandsland leek een vacuüm van benauwde stilte, afgezet aan weerszijden met hoge hekken. Aan de ene kant lag het vluchtelingenkamp. Vingers zochten houvast, vrijheid, erkenning, tussen de tralies. Aan de andere kant lag een open veld – vol met mijnen heb ik me laten vertellen.

Enige controles later word ik door iemand van het Vrij Syrische Leger welkom geheten. Al rijdend langs de stoet uitzwaaiende achterblijvers van gevluchte familieleden, proef ik de honger naar informatie: wat is bekend over de chemische aanval nabij Damascus? Hoeveel slachtoffers zijn er gevallen? Wie zit erachter? En wat gaat Obama doen? Het gebrek aan netwerk, verbinding en elektriciteit zorgt voor onrust, angst en paniek: “Wat gebeurt er in mijn land?” vragen mensen met handen geheven in de lucht, hopend op een reactie uit de hemel. Ik zou willen dat ik ze kon geruststellen. Ik wenste dat ik kon antwoorden dat ik was gekomen om te vertellen dat de wereld heeft besloten de oorlog te stoppen, de vrede te herstellen, de wapens weg te nemen, de huizen weer op te bouwen, de kinderen weer kind te laten zijn.

Maar ik kon enkel zwijgen – in schaamte. Wat ik kwam brengen voelde als een belediging. Geld, hulp – voor een week, misschien een maand. Medelijden.

“Charity is no substitute for justice withheld,” verklaarde Sint Augustinus. En terecht. Liefdadigheid, als aanvulling op rechtvaardigheid, mag worden toegejuicht. Maar liefdadigheid als een substituut voor rechtvaardigheid is noch liefdadigheid noch rechtvaardigheid. Het is wreedheid.

En zo voelde ik me. Ik twijfelde. Moet ik doorreizen? Om het ingezamelde geld naar enkele families te brengen? Families met kinderen – eigen kinderen, buurkinderen waarvan de ouders zijn omgekomen, nichtjes, neefjes die uit gevaarlijker gebied zijn overgebracht. Wie ben ik, om te besluiten hoe ik de hulp verdeel? Bij welke families ik wel of niet binnenstap? Ik schaamde me, schaamde me diep. Hoe heb ik het lef om naar Syrië te komen en te denken dat ik iets goeds doe, dat ik bijdraag aan de verlichting van het leed? Leed dat ik nooit zal kunnen begrijpen – simpelweg omdat ik in Nederland woon, waar de oorlog niet dichterbij komt dan de ochtendkrant of het avondnieuws. Wie denk ik wel niet dat ik ben om te bepalen wie meer slachtoffer is dan de ander alsof het niet in eerste instantie mensen zijn, mensen van wie hun mensenrechten zijn afgenomen door machthebbers die weigeren het terug te geven, laat staan het te beschermen. Welk recht heb ik, door me te verheven als gever daarbij de ontvanger ontnemend van gelijkheid?

Met een beetje hulp en bonkend hart stond ik met een camera in mijn hand en een bek vol tanden.

En toen gebeurde het. De omhelzing, de tranen, de gastvrijheid en zoete thee. De donaties werden ontvangen als gunstige bijkomstigheid. Maar de erkenning, de aandacht, de verbroken stilte, mijn bezoek werden geabsorbeerd met zielen van dankbaarheid. Ik stond oog in oog – niet met slachtoffers maar met de menselijkheid, met trots, met hoop, met kracht.

Ik was niet de gever. Ik was de ontvanger. Ontvanger van de verantwoordelijkheid als mens.

Mijn korte reis langs de huiskamers en schuilkelders, over kapotgeschoten daken en door compleet verwoeste wijken leerde mij dat ik als mens de verantwoordelijkheid draag om niet weg te kijken, om niet stil te blijven. Als mens, medemens op deze aarde, heb ik de plicht om te kijken en laten zien hoe selectieve blindheid de mensheid ontleedt tot onmenselijkheid. Ik heb de plicht om te luisteren en vertellen hoe bewuste stilte de verwoesting van de menselijkheid legitimeert. Ik heb geleerd dat ik kan schuilen voor de bommen en weglopen uit oorlogsgebied maar dat ik niet het recht heb me achter mijn veiligheid te verbergen of verantwoordelijkheid te ontlopen.

Ik beschik dan niet over de macht om Assad te verdrijven, chemische wapens te ontmantelen of vluchtelingen een veilig bestaan te bieden. Maar ik heb dankzij mijn ontmoetingen met de Syriërs wel geleerd dat het recht op mensheid niet mag ophouden, veranderen of reduceren bij een grens. Noch de plicht om onze medemens als gelijke te beschermen, voor op te komen en rechtvaardigheid te bieden.

Een jaar na de gifgasaanval in Syrië eist de oorlog nog steeds dagelijks slachtoffers. Vorig jaar hoorde ik hoop in de stemmen van de vele Syriërs die ik heb ontmoet– dat de internationale gemeenschap zou ingrijpen, dat Assad nu voor het internationale gerechtshof zou worden gesleept, dat de wereld nu echt niet meer kon blijven wegkijken.

Ik krijg telefoon uit Syrië. “We missen je”, krijg ik te horen. Tranen van machteloosheid springen in mijn ogen. Ik zou willen dat ik kon helpen. Ik zou willen dat ik zeker wist dat dit niet het laatste telefoontje zou zijn. “Het enige dat ik wens” – zegt de stem aan de andere kant van de lijn “is dat je ons niet vergeet”.

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s